Verdeeld – Fragment

De nacht is lang en zwaar. Het is een strijd op zich. Maar het is niet voor het eerst. Sinds het eerste gevecht slaap ik slecht. Beelden van slagvelden dringen zich aan me op. Bloed, ledematen, gevallen lichamen, het is er allemaal als ik mijn ogen sluit. Ook deze nacht gaat de oorlog van de dag door in de nacht.

Plotseling staat Adams hijgend voor me.
‘We moeten vluchten, soldaat!’
Niet begrijpend kijk ik hem aan.
‘Waarvoor?’
‘De vijand, vertrouw me.’
Als ik mijn wenkbrauwen frons in onbegrip, pakt hij mijn hand vast en sleurt me mee.
Samen rennen we het zandpad af.
Hij laat mijn hand los en ik voel me stuurloos zonder.
Toch ren ik door.
Om ons heen begint het steeds harder te waaien.
Het gras langs het pad ritselt en golft in de wind.
‘Schiet op, soldaat!’ Brult Adams.
Dan, ineens, doemt een vijandige linie voor ons op.
‘Zie je nou?’
Ademloos knik ik, te verbijsterd om iets te zeggen.
‘Vlucht nu, Tien, ga!’
Ik schud mijn hoofd, ik moet de luitenant helpen.
‘Ik blijf bij jou, luitenant.’
‘Nee, ga nou, ga!’
Hij draait zich van me weg en gebaart nog snel dat ik moet rennen, voor hij zijn geweer aanlegt en begint te schieten.
Nog even blijf ik geschokt staan kijken hoe de vijand zich in beweging zet, dan ren ik zo hard ik kan weg.
Als ik achterom kijk zie ik hoe luitenant Adams doorzeeft wordt door kogels, ik zie het bloed uit de vele wonden in zijn rug gutsen en zie hem door zijn knieën zakken en in het stoffige zand vallen.
Tranen prikken in mijn ogen maar ik moet doorrennen, moet me verstoppen.
Aan mijn rechterkant zie ik ineens een kas opdoemen, ik gooi de glazen deur ervan open en verstop me achter een grote plantenbak waar een plant met reusachtige bladeren in staat.
Denderend stormen de voetstappen van de soldaten voorbij.
Angstvallig blijf ik zitten terwijl de tranen over mijn wangen lopen.
Plots schrik ik op van een hand op mijn schouder en ik kan me nog net inhouden om het niet uit te gillen van schrik.
Als ik omkijk zie ik Adams.
‘Luitenant… maar dit kan niet… je bent… je bent dood.’
Hij glimlacht en gebaart naar zijn lichaam.
‘Ziet dit er dood uit?’
Als mijn ogen over zijn lichaam glijden slaat de angst me om het hart.
Nog steeds stroomt het bloed uit vele kogelgaten en zijn huid is zo bleek.
En dan pas zie ik zijn ogen, ze zijn leeg, doods.