Zinkend

Geschrokken riep ze zijn naam. Het mocht niet zo eindigen. Ze nam het hem niet kwalijk. Ze was niet boos. Natuurlijk niet. Hoe zou ze boos op hem kunnen zijn? Ze wist dat hij het niet zo bedoeld had. Ze wist dat hij een goed persoon was. Al lukte het hem niet om zichzelf zo te zien en dat deed haar zeer. Ze zou zo graag willen dat ze hem kon helpen maar elke poging die ze daartoe deed mislukte. Elke keer als ze weer wat dichter bij hem leek te komen, duwde hij haar net zo hard weer weg. Het lukte gewoon niet. Maar ze wilde het zo graag. Ze mocht niet opgeven. Mocht hem niet opgeven en ze mocht hem al zeker niet zo laten gaan! Ze schudde aan zijn arm, aan zijn schouders. Nam zijn hoofd tussen haar handen en schreeuwde zijn naam zo hard als ze kon maar hij reageerde niet.

Snel pakte ze haar mobiele telefoon uit haar broekzak en belde het alarmnummer. De vriendelijke stem aan de andere kant moest haar regelmatig vragen om rustiger te praten want in haar geschokte staat kon ze niet rustig uitleggen wat er aan de hand was. Na wat in haar hoofd wel een eeuwigheid leek, maar wat in werkelijk helemaal niet lang geduurd had, begreep de meneer van de alarmlijn wat er aan de hand was en stuurde hij een ambulance naar haar toe. Eindelijk kon ze de telefoon weer wegleggen. Ze ging stuk van de zorgen. Ze zakte steeds verder weg in een staat waarin ze niet meer helder kon denken. Ze moest hem helpen, moest hem redden! Dit mocht het einde nog niet zijn. Hij mocht niet weggaan. Ze wilde niet dat hij haar zou verlaten. Ook al had hij haar misschien geslagen en er alles aangedaan haar kwijt te raken. Ze wist dat hij dat diep in zijn hart niet gewild had. Hij was bang geweest en dat had ze prima aangevoeld. Daar was hij vervolgens alleen maar angstiger van geworden. Hij was weggezonken in een neerwaartse spiraal. De laatste dagen kon ze hem ook nauwelijks meer bereiken. Het was alsof hij zich had afgesloten van de wereld om hem heen. Alsof hij het allemaal niet meer wilde zien of horen. Hij was verzonken in zijn eigen wereld geweest en zij kon er niet bij komen.

Huilend pakte ze zijn hand vast en fluisterde zijn naam. Roepen ging al niet meer, ze kon nauwelijks meer geluid over haar lippen krijgen.

Toen klonk ineens het schreeuwende geluid van de sirenes. De ambulance was onderweg. Ze hoorde hoe het geluid steeds dichterbij kwam, tot het recht onder het raam vandaan leek te komen waarna het ineens stil werd.

Het geluid van de bel verscheurde de bedrukkende stilte die na het stil vallen van de sirenes was gevallen. Een huisgenoot deed de deur open en liet verbaasd de twee ambulancebroeders binnen die zich snel de trap op haastten nadat ze van de huisgenoot had vernomen waar de gewonde jongen woonde. De huisgenoot had niet geweten wat er gebeurd was en had geen idee wat de ambulancebroeders kwamen doen. Hij wilde de twee mannen vragen wie er gebeld had en wat er was gebeurd maar de mannen hadden geen tijd voor hem.

De deur van de kamer vloog open en de ambulancebroeders zakte naast haar op hun knieën. Ze stelden haar een paar vragen die ze vanwege de schrik nauwelijks kon beantwoorden. Toen tilde ze hem samen op en schoven hem op de brancard die ze hadden meegenomen.

Toen ze zag hoe bewegingloos zijn lichaam was, brak ze in tranen uit. Haar vriend, van wie ze zoveel hield was zo beschadigd geweest dat hij uit wanhoop de hand aan zichzelf had geslagen. Alles ging ineens heel snel. De ambulancebroeders gespte hem vast en namen hem tussen zich in mee naar beneden. Naar de ambulance. Aangezien ze zelf geen vervoer naar het ziekenhuis had mocht ze mee. Het was raar, onwerkelijk. Ze zat naast de bestuurder en verbaasde zich erover hoe hoog de ambulance was. En dat terwijl achterin de wagen een ambulancebroeder bezig was het leven van haar vriend te redden. Of althans een poging daartoe te doen. Ze wisten niet of hij het zou redden of dat het al te laat was. De sirenes gingen weer aan. Het klonk gedempt in de auto maar het was alsnog goed hoorbaar. Auto’s gingen voor hen aan de kant, mensen keken hen na op hun vlucht naar het ziekenhuis, naar een mogelijke redding voor de jongeman die achterin lag. Die geen oplossingen meer had gezien. De man die gebroken was geweest.

Verwond

Apathisch staarde hij voor zich uit. Al een tijdje. Hij kon zich al niet meer herinneren wanneer hij hier was komen zitten. Hij had ook geen idee hoelang hij hier al zat. Hij wist alleen dat hij niet meer terug kon. En niet meer terug wilde. Het was voorbij. Het was fout gegaan en het kon niet meer goed komen. Nooit meer. Nooit. Hij zou zichzelf nooit vergeven. Maar was het wel zijn schuld? Had zijn hele leven niet naar dit moment geleidt? Was het zijn eigen schuld dat hij geworden was wie hij was? Hadden anderen daar ook geen aandeel in gehad. Zijn vader? Zijn ex? De kinderen die hem altijd pestten, die hem niet accepteerden zoals hij was. Het waren de mensen voor wie hij nooit genoeg was geweest. Aan wiens verwachtingen hij niet kon voldoen. Hadden zij hem niet gevormd? Lag het ook niet bij hen? Of probeerde hij nu de schuld van zich af te schuiven en was hij wel de enige wie aandeel in de huidige situatie had. Hij was de persoon geweest die de woorden gezegd had. Hij was diegene geweest die zijn hand opgeheven had. Die haar had geslagen. HIj zou het zichzelf nooit kunnen vergeven. Hij hield van haar. Hij kon het alleen niet toegeven. Wilde het niet toegeven. Was bang dat dat hem kwetsbaar zou maken. Zij zou hem in de steek laten zoals alle anderen. Zoals de vrouw voor haar. Ze zou erachter komen wie hij was, hoe hij werkelijk was en ze zou er niet mee kunnen leven. Zou hem verlaten en hem breken.

Breken.

Hoe vaak was hij nu al gebroken? Hoe vaak had hij de stukjes al niet opgeraapt en er alles aan gedaan om ze weer bij elkaar te lijmen. Hoe vaak? En hoe vaak was hij er niet al achter gekomen dat er een stukje miste. Dat er ergens, ergens in de grote chaos, de bende, een stukje verloren was geraakt. En misschien wel meer dan een. En telkens weer was hij gewoon maar door gegaan. Tot er meer stukjes miste dan dat er nog waren. Meer dan de helft was hij al kwijt. Meer dan de helft van zichzelf was hij onderweg al verloren. Waren gestolen door de vrouw aan wie hij zijn hart toevertrouwt had, waren verbrijzeld door de pestkoppen uit zijn jeugd als ze hem weer eens uitgescholden hadden of nadat ze hem in elkaar geslagen hadden en hem huilend op het speelplein lieten liggen terwijl ze lachend wegliepen. En hoeveel stukjes had zijn vader niet gesloopt? Met zijn strenge regels en de hoge verwachtingen waaraan hij niet kon voldoen. En dat was niet eens alles. Hoeveel stukjes had zijn vader meegenomen toen hij hem en zijn moeder verliet? Elke keer als zijn vader zijn afspraken niet na kwam, verdween er weer een stukje.

Een stukje van zichzelf, zijn eigenwaarde en zelfvertrouwen. Het werd steeds minder.

Tot hij het gevoel had nog maar een schim van zichzelf te zijn. Tot hij zoveel kwijt was dat hij niet meer wist wie hij werkelijk was. En wie hij ooit had moeten worden.

Elke keer ging hij weer een beetje stuk. Het was te zien in zijn gezicht. Als hij in de spiegel keek zag een gebroken man, kapot en lamgeslagen door het leven.

Kwam het door de mensen om hem heen of had hij er zelf ook schuld aan gehad? Was hij werkelijk zo’n slecht mens dat bijna niemand van hem houden kon? Dat ze van hem wegliepen zodra ze erachter kwamen wie hij werkelijk was. Het kon niet anders of het lag aan hem. Waarom overkwam hem anders telkens zoveel naars. Het was zijn eigen schuld, hij vroeg er zelf om. Al wist hij niet hoe. Hij wilde dit niet. Hij wilde leven. Wilde net zo zijn als andere mensen. Anderen zagen er in zijn ogen zo gelukkig uit, alsof ze allemaal een volmaakt leven leidden. Dat wilde hij ook. Hij wilde geliefd zijn, een goede vriend, een liefhebbende minnaar, een zoon om trots op te zijn. Maar hij was niets van dat alles. Hij was een mislukking. Het leven had het nooit goed met hem voorgehad. Hij had gefaald in alles wat hij deed. Was nergens écht goed in, blonk nergens in uit, behalve in falen…

Misschien was het wel beter zo. Misschien had het wel zo moeten zijn. Was het voorbestemd dat hij vandaag, op deze dag op deze plek zou zijn. Was het nooit de bedoeling geweest dat hij oud zou worden en een gelukkig leven zou hebben. Misschien was hij wel op de wereld gekomen om het zwarte schaap te zijn, de zondebok op wie mensen zich af konden reageren zonder zich schuldig te voelen. Het was immers zijn lotsbestemming en hij vroeg om hun afkeuring met alles wat hij deed.

Het had zo moeten zijn. Dit zou zijn einde worden. Het moest. Het universum wilde het schijnbaar zo. En hij vond het niet erg. Het was goed geweest. Hij wilde niet langer leven in deze hel die zijn bestaan was. Hij wilde vrij zijn. Vrij van de zorgen en de pijn.

Met een soepele beweging gooide hij de pilletjes in zijn mond en spoelde ze weg met een glas water. Het was zover.
Hij hoorde niet meer hoe de deur naar zijn kamer werd opgeslagen en hoe zijn naam in afgrijzen werd geroepen. Tegen de tijd dat de ambulancebroeders zijn bewegingloze lichaam op een brancard tilden was hij het bewustzijn al lang verloren. Zouden ze nog op tijd geweest zijn? Konden ze hem nog lijmen of was hij voorgoed gebroken?